Over Koe en Eiwit

Minder eiwit in het rantsoen is een van de managementmaatregelen waarmee melkveehouders de stikstofefficiëntie op hun bedrijf kunnen verbeteren. In de 4-jarige praktijkpilot Koe en Eiwit kunnen zij samen met hun voeradviseur en extra onafhankelijk advies ontdekken waar het voerspoor kansen biedt. Met oog voor melkproductie en diergezondheid. Wetenschappers van Wageningen Livestock Research (WUR) voeren de pilot uit, waarbij samenwerking wordt gezocht met veevoerleveranciers, adviseurs en dierenartsen. Aan de pilot doen 155 melkveehouders verspreid over Nederland mee.

Rantsoenoptimalisatie

De focus van de praktijkpilot ligt op het monitoren van de optimalisatie van het rantsoen van de veestapel. Met als doel een verlaging van het ruw eiwitgehalte tot 155 gram ruw eiwit per kg droge stof. Ruwvoermanagement is hierbij een belangrijk onderdeel. Hoe beter de melkveehouder dit onderdeel van de stikstofkringloop in de vingers heeft, hoe meer knoppen er zijn om aan te draaien voor een efficiënte bedrijfsvoering. Als blijkt dat scherp(er) voeren kan, dan is dat regelrechte winst. Ook in de portemonnee van de boer, want aanvoer van eiwit kost geld.

koeeneiwit-blokken

Melkveehouder en voeradviseur

Deelnemers aan ‘Koe en Eiwit’ gaan samen met hun voeradviseur aan de slag met deze rantsoendoelstelling. Dat zal voor de één zeer uitdagend zijn, terwijl het voor de ander eenvoudiger binnen bereik ligt. De omstandigheden zijn immers per bedrijf verschillend. Om die reden worden de deelnemers in negen verschillende praktijkkringen ingedeeld, op basis van grondsoort en bedrijfsintensiteit. Bij de zoektocht naar een goede balans tussen stikstofefficiëntie, melkproductie en diergezondheid staan de pilotdeelnemers niet alleen, maar krijgen zij extra begeleiding en advies. Naast adviseurs zijn ook dierenartsen betrokken voor de monitoring van de diergezondheid bij een rantsoen van 155 RE.

Extra begeleiding en groepsbijeenkomsten

Elke deelnemer aan Koe en Eiwit optimaliseert met zijn vaste voeradviseur het rantsoen. Vanuit deze bestaande relatie leveren zij samen een inspanning om echt aan de slag te gaan met het doel van 155 g RE (totaal)/ kg ds in het totale rantsoen, gemiddeld voor de hele veestapel op jaarbasis. Daarnaast wordt vanuit het project extra ondersteuning aangeboden. Ongeveer 6 keer per jaar krijgt de melkveehouder individuele ondersteuning van een onafhankelijke adviseur die behoort tot de pool van adviseurs die gevormd wordt voor dit project.

Op basis van grondsoort en intensiteit worden groepen gevormd. Elke groep krijgt een eigen begeleider. In de groepsbijeenkomsten worden praktijkvoorbeelden bediscussieerd over de relaties tussen rantsoenoptimalisatie en de gehele bedrijfsvoering, denk aan bemesting, beweiding, bouwplan en oogstmomenten gewassen e.d.

Het ruwvoermanagement is een belangrijke basis voor een goed rantsoen. Ook wordt de relatie gelegd tussen het voermanagement en de prestaties qua milieu (ammoniakemissie), klimaat (methaanemissie), economie en diergezondheid.

Tijdens de groepsbijeenkomsten (ca. 3 per jaar) kunnen tevens sprekers uitgenodigd worden, eventueel gecombineerd met andere groepen.

Initiatief, uitvoering en ondersteuning

Initiatiefnemer voor deze pilot is de werkgroep ‘Stikstof en Veevoer’, samen met het Ministerie van LNV. ‘Stikstof en Veevoer’ bestaat uit LTO, NAJK, Biohuis, BoerenNatuur, Netwerk GRONDig, Nevedi, Rabobank en NZO. Tijdens de praktijkpilot zal de werkgroep als begeleidingscommissie fungeren. Financiering komt van het Ministerie van LNV en de uitvoering is in handen van een deskundig team onder leiding van Paul Galama van Wageningen Livestock Research (WUR), waarbij samenwerking wordt gezocht met veevoerleveranciers, adviseurs en dierenartsen.